magneet
zelfstandig naamwoord mɑxˈnetBetekenis
- voorwerp dat een magnetisch veld verspreidt
Hoe spreek je magneet uit?
/mɑxˈnet/
Magneet bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| n | nek |
| e | veel |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- voorwerp dat een magnetisch veld vormt, waarmee het ferromagnetische materialen zoals ijzer, nikkel en kobalt aantrekt. Een magneet heeft een noord- en zuidpool; gelijke polen stoten elkaar af, terwijl tegengestelde polen elkaar aantrekken. Er zijn permanente magneten en elektromagneten
- persoon, zaak of plaats die grote aantrekkingskracht uitoefent op iets of iemand figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| magneetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| magneetjes | verkleinwoord, meervoud |
| magneten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘stuk magneeterts, gemagnetiseerd metaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van magneet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| magneetje | verkleinwoord | magneet |
| magneetjes | verkleinwoord meervoud | magneet |
| magneten | meervoud | magneet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van magneet zijn vastgelegd.