asceet
zelfstandig naamwoord ɑ'setBetekenis
- iemand die zich aan godsdienstige praktijken en boetedoeningen wijdt en zeer sober leeft
Hoe spreek je asceet uit?
/ɑˈset/
Asceet bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| s | sok |
| e | veel |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| asceetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| asceetjes | verkleinwoord, meervoud |
| asceten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘iemand die zich op godsdienstige gronden beperkingen oplegt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824
Woordfamilie van asceet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| asceetje | verkleinwoord | asceet |
| asceetjes | verkleinwoord meervoud | asceet |
| asceten | meervoud | asceet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van asceet zijn vastgelegd.