wedervaren
werkwoord, zelfstandig naamwoord wedərˈvarə(n)Betekenis
- beleven, ervaren, meemaken, op zijn pad tegenkomen
- dat wat is meegemaakt, belevenissen
- teruggaan
- optreden tegen
- gebeuren, ten deel vallen
Hoe spreek je wedervaren uit?
/wedərˈvarən/
Wedervaren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| e | veel |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| v | vis |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Woordvorm
- beleven, ervaren, meemaken, op zijn pad tegenkomen
- voltooid deelwoord van wedervaren
Vervoeging van wedervaren
wedervarenhele werkwoord — wedervoerverleden tijd enkelvoud — wedervoerenverleden tijd meervoud — wedervarenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wedervaar | wedervoer |
| jij | wedervaart | wedervoer |
| hij, zij, het | wedervaart | wedervoer |
| wij | wedervaren | wedervoeren |
| jullie | wedervaren | wedervoeren |
| zij | wedervaren | wedervoeren |
Alle 57 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben wedervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent wedervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is wedervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is wedervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te wedervaren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn wedervaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wedervaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart wedervaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren wedervaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren wedervaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren wedervaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was wedervaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was wedervaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was wedervaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| wedervaar | gebiedende wijs |
| wedervare | aanvoegende wijs |
| wedervaren | verleden tijd, deelwoord |
| wedervaren te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wedervaren zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| wedervarend | onvoltooid, deelwoord |
| wedervoer | verleden tijd |
| wederváren | canonical |
| zal wedervaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wedervaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wedervaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal wedervaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal wedervaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal wedervaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn wedervaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn wedervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn wedervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn wedervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt wedervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou wedervaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wedervaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wedervaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou wedervaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou wedervaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou wedervaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wedervaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wedervaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wedervaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden wedervaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden wedervaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden wedervaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt wedervaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt wedervaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen wedervaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wedervaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wedervaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wedervaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen wedervaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen wedervaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen wedervaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult wedervaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult wedervaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
ww: van Middelnederlands wedervaren; op te vatten als samenstelling van weder bw en varen ww , in de betekenis van ‘gebeuren’ voor het eerst aangetroffen in 1404 ** vervoeging van wedervaren: de stam met de uitgang -en, zonder ge- vanwege voorvoegsel (is gelijk aan de onbepaalde wijs)
Woordfamilie van wedervaren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wedervaar | gebiedende wijs | wedervaren |
| wedervaart | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wedervaren |
| wedervare | aanvoegende wijs | wedervaren |
| wedervarend | onvoltooid deelwoord | wedervaren |
| wedervarende | woordvorm | wedervaren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wedervaren zijn vastgelegd.