verjaren
werkwoord vərˈjarə(n)Betekenis
- het tijdstip van een bepaalde geldigheidsduur overschrijden
- enigszins ironisch de dag van de geboorte opnieuw bereiken
Hoe spreek je verjaren uit?
/vərˈjarən/
Verjaren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| j | ja |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- het tijdstip van een bepaalde geldigheidsduur overschrijden, het tijdstip passeren waarop een vordering niet meer aan de rechter kan worden voorgelegd ergative
- door de tijd minder worden, verouderen ergative
- de geboortedatum opnieuw bereiken ergative
- feestelijk aandacht geven bij het opnieuw bereiken van een geboortedatum transitive
Vervoeging van verjaren
verjarenhele werkwoord — verjaardeverleden tijd enkelvoud — verjaardenverleden tijd meervoud — verjaardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verjaar | verjaarde |
| jij | verjaart | verjaarde |
| hij, zij, het | verjaart | verjaarde |
| wij | verjaren | verjaarden |
| jullie | verjaren | verjaarden |
| zij | verjaren | verjaarden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verjaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verjaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verjaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verjaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verjaren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verjaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verjaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verjaar | gebiedende wijs |
| verjaard | verleden tijd, deelwoord |
| verjaard te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verjaard zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verjaarde | verleden tijd |
| verjare | aanvoegende wijs |
| verjarend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verjaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verjaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verjaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verjaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verjaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verjaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verjaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verjaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verjaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verjaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verjaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verjaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verjaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verjaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verjaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verjaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verjaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verjaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verjaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verjaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verjaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verjaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verjaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verjaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verjaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verjaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verjaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verjaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verjaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verjaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verjaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verjaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verjaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verjaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verjaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verjaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verjaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verjaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verjaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verjaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verjaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands verjaren, op te vatten als afgeleid van jaar met het voorvoegsel ver- met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verjaren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verjaar | gebiedende wijs | verjaren |
| verjaarden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verjaren |
| verjaart | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verjaren |
| verjare | aanvoegende wijs | verjaren |
| verjarend | onvoltooid deelwoord | verjaren |
| verjarende | woordvorm | verjaren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verjaren zijn vastgelegd.