varen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈvarə(n)Betekenis
- zich in een vaartuig voortbewegen
- (Vlaanderen, Limburg) zich voortbewegen
- gezegd van iemands gesteldheid in het algemeen
- (Limburg) autorijden
- onwennig voorkomen, niet meevallen
- een sporenplant
Hoe spreek je varen uit?
/ˈvarən/
Varen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| a | maan |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- zich voortbewegen obsolete
- autorijden Limburg
Vervoeging van varen
varenhele werkwoord — gevaren wwvoltooid deelwoord
Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (vaarde) * | verleden tijd |
| gevaren ww | verleden tijd, deelwoord |
| voer ww | verleden tijd |
Vervoeging van varen
varenhele werkwoord — gevaardvoltooid deelwoord
Alle 2 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gevaard | verleden tijd, deelwoord |
| vaarde | verleden tijd |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor sporenplanten die de afdeling Pteridophyta vormen
Herkomst
werkwoord: erfwoord, via Middelnederlands varen van Oudnederlands faran, in de betekenis van ‘over water gaan (in of van een vaartuig)’ voor het eerst aangetroffen in 901
werkwoord, zelfstandig naamwoord: Middelnederlands: varen
Woordfamilie van varen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vaarden | woordvorm | varen |
| varentje | woordvorm | varen |
| varentjes | meervoud | varen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van varen zijn vastgelegd.