Naar de inhoud

besparen

minder van iets gebruiken of verbruiken

besparen

werkwoord bəˈsparə(n)

Betekenis

  1. minder van iets gebruiken of verbruiken
  2. ~ op: minder geld uitgeven, bezuinigen
  3. niet met iets geconfronteerd willen worden, zorgen dat iets niet gebeurt of hoeft te gebeuren.

Hoe spreek je besparen uit?

/bəˈsparən/

Besparen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /bəˈsparən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ə de
s sok
p pak
a maan
r rood
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van besparen

besparenhele werkwoord — bespaardeverleden tijd enkelvoud — bespaardenverleden tijd meervoud — bespaardvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bespaar bespaarde
jij bespaart bespaarde
hij, zij, het bespaart bespaarde
wij besparen bespaarden
jullie besparen bespaarden
zij besparen bespaarden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben bespaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent bespaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bespaar gebiedende wijs
bespaard verleden tijd, deelwoord
bespaard te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bespaard te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bespaard te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bespaard te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bespaard te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bespaard worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bespaard zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bespaard zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bespaard zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bespaard zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bespaarde verleden tijd
bespare aanvoegende wijs
besparend onvoltooid, deelwoord
er is bespaard impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was bespaard impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd bespaard impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt bespaard impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal bespaard worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal bespaard zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou bespaard worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou bespaard zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had bespaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bespaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bespaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bespaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bespaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bespaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bespaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bespaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bespaard actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bespaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bespaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bespaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bespaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bespaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bespaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is bespaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is bespaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te besparen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben bespaard actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen besparen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart bespaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bespaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren bespaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bespaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
was bespaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was bespaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was bespaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd bespaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd bespaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd bespaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden bespaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden bespaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden bespaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt bespaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word bespaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden bespaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden bespaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden bespaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt bespaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt bespaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal bespaard hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bespaard hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bespaard hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bespaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bespaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal bespaard zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bespaard zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal besparen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal besparen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal besparen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn bespaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn bespaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn bespaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt bespaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou bespaard hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bespaard hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bespaard hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bespaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bespaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou bespaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bespaard zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bespaard zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bespaard zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou besparen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou besparen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou besparen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden bespaard hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bespaard hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bespaard hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bespaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bespaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bespaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bespaard zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bespaard zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bespaard zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden besparen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden besparen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden besparen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt bespaard hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bespaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bespaard zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt besparen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen bespaard hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bespaard hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bespaard hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bespaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bespaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bespaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bespaard zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bespaard zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bespaard zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen besparen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen besparen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen besparen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen besparen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult bespaard hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bespaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult bespaard zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult besparen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van sparen met het voorvoegsel be-.

Woordfamilie van besparen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bespaar gebiedende wijs besparen
bespaard voltooid deelwoord besparen
bespaarde verleden tijd besparen
bespaarden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon besparen
bespaart aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon besparen
bespare aanvoegende wijs besparen
besparend onvoltooid deelwoord besparen
besparende woordvorm besparen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van besparen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over besparen

Hoe spreek ik besparen uit?
Zo spreek je besparen uit: /bəˈsparə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van besparen?
Besparen is een werkwoord. De betekenis is: minder van iets gebruiken of verbruiken. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik besparen?
Zo vervoeg je besparen zo: de tegenwoordige tijd is bespaar, de verleden tijd is bespaarde en het voltooid deelwoord is bespaard. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op besparen?

In dit woordenboek rijmen 64 woorden op -aren op besparen, zoals waren, varen en ervaren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op besparen, uitspraak bəˈsparən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
waren 2
varen 2
ervaren 3
verklaren 3
bezwaren 3
lantaarn 3
sparen 2
bewaren 3
blaren 2
vlegeljaren 4
staren 2
evenaren 4
bedaren 3
zaklantaarn 4
paren 2
lantaren 3
zaklantaren 4
verjaren 3
overvaren 4
wedervaren 4
kinderjaren 4
grutterswaren 4
tienerjaren 4
straatlantaarn 4
straatlantaren 4
verfwaren 4
geitenharen 4
pinaren 3
ontsparen 3
toverlantaarn 5
aaltenaren 4
aangevaren 4
balearen 4
beschermparen 5
beuzelaren 4
bonthandelaren 5
crisisjaren 4
cursusjaren 4
fruithandelaren 5
gevaren 3
Nog 24 rijmwoorden
gijzelaren 4
handelaren 4
homoparen 4
jaren 2
kaarslantaarn 4
kandelaren 4
karen 2
kerselaren 4
koningsvaren 4
laskaren 3
legerscharen 4
okselharen 4
palmvaren 4
pharen 2
raren 2
runderharen 4
samaren 3
schroothandelaren 5
stormlantaarn 5
supersnaren 4
toverhazelaren 6
toverlantaren 5
watervaren 4
zonnejaren 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord besparen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. S 2
  4. P 3
  5. A 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

besparen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. S 2
  4. P 4
  5. A 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

besparen in het kort

besparen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van besparen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort besparen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

besparen: minder van iets gebruiken of verbruiken
Deel besparen — standaardnederlands.nl