bedaren
werkwoord, zelfstandig naamwoord /bə'darə(n)/Betekenis
- tot rust komen, kalm worden
- kalm maken
- rust, kalmte
Hoe spreek je bedaren uit?
/bəˈdarən/
Bedaren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| d | dak |
| a | maan |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bedaren
bedarenhele werkwoord — bedaardeverleden tijd enkelvoud — bedaardenverleden tijd meervoud — bedaardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bedaar | bedaarde |
| jij | bedaart | bedaarde |
| hij, zij, het | bedaart | bedaarde |
| wij | bedaren | bedaarden |
| jullie | bedaren | bedaarden |
| zij | bedaren | bedaarden |
Alle 27 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bedaar | gebiedende wijs |
| bedaard | verleden tijd, deelwoord |
| bedaard te zullen hebben, zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bedaard zullen hebben, zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bedaarde | verleden tijd |
| bedare | aanvoegende wijs |
| bedarend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben, zijn bedaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| te bedaren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben, zijn bedaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bedaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bedaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bedaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bedaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou bedaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bedaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bedaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bedaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bedaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bedaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bedaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bedaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bedaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bedaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bedaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bedaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘(zich) kalmeren’ voor het eerst aangetroffen in 1451
Woordfamilie van bedaren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bedaar | gebiedende wijs | bedaren |
| bedaarden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bedaren |
| bedaart | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bedaren |
| bedare | aanvoegende wijs | bedaren |
| bedarend | onvoltooid deelwoord | bedaren |
| bedarende | woordvorm | bedaren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bedaren zijn vastgelegd.