dolen
werkwoordBetekenis
- doelloos, richtingloos rondlopen, dwalen
Vervoeging van dolen
dolenhele werkwoord — dooldeverleden tijd enkelvoud — dooldenverleden tijd meervoud — gedooldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dool | doolde |
| jij | doolt | doolde |
| hij, zij, het | doolt | doolde |
| wij | dolen | doolden |
| jullie | dolen | doolden |
| zij | dolen | doolden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dole | aanvoegende wijs |
| dolend | onvoltooid, deelwoord |
| dool | gebiedende wijs |
| doolde | verleden tijd |
| er is gedoold | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedoold | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedoold | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedoold | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedoold worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedoold zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedoold worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedoold zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedoold | verleden tijd, deelwoord |
| gedoold te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedoold zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedoold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dolen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedoold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dolen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal dolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedoold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedoold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedoold hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou dolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dolen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedoold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedoold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedoold hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedoold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘dwalen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van dolen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dole | aanvoegende wijs | dolen |
| dool | gebiedende wijs | dolen |
| doolde | verleden tijd | dolen |
| doolden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dolen |
| doolt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dolen |
| gedoold | voltooid deelwoord | dolen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dolen zijn vastgelegd.