evenaren
werkwoord /evə'narə(n)/Betekenis
- op gelijke hoogte komen, een even grote prestatie leveren
Hoe spreek je evenaren uit?
/evəˈnarən/
Evenaren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| a | maan |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van evenaren
evenarenhele werkwoord — evenaardeverleden tijd enkelvoud — evenaardenverleden tijd meervoud — geëvenaardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | evenaar | evenaarde |
| jij | evenaart | evenaarde |
| hij, zij, het | evenaart | evenaarde |
| wij | evenaren | evenaarden |
| jullie | evenaren | evenaarden |
| zij | evenaren | evenaarden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geëvenaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëvenaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geëvenaard | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëvenaard | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëvenaard | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëvenaard | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëvenaard worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëvenaard zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëvenaard worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëvenaard zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| evenaar | gebiedende wijs |
| evenaarde | verleden tijd |
| evenare | aanvoegende wijs |
| evenarend | onvoltooid, deelwoord |
| geëvenaard | verleden tijd, deelwoord |
| geëvenaard te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëvenaard te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëvenaard te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëvenaard te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëvenaard te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëvenaard worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëvenaard zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëvenaard zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëvenaard zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëvenaard zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëvenaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëvenaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëvenaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëvenaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëvenaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëvenaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëvenaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëvenaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëvenaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëvenaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëvenaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëvenaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëvenaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëvenaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëvenaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geëvenaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëvenaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te evenaren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëvenaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen evenaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëvenaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëvenaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëvenaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëvenaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëvenaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëvenaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëvenaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëvenaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëvenaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëvenaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëvenaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëvenaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëvenaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëvenaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëvenaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëvenaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëvenaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëvenaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëvenaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëvenaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal evenaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal evenaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal evenaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëvenaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëvenaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëvenaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geëvenaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëvenaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëvenaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëvenaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëvenaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëvenaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëvenaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëvenaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou evenaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou evenaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou evenaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëvenaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëvenaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëvenaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geëvenaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëvenaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëvenaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëvenaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëvenaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëvenaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden evenaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden evenaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden evenaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëvenaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëvenaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëvenaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëvenaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëvenaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëvenaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëvenaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëvenaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëvenaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt evenaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëvenaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëvenaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëvenaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen evenaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen evenaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen evenaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen evenaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëvenaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëvenaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëvenaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëvenaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëvenaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëvenaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëvenaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëvenaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëvenaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult evenaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëvenaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëvenaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëvenaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘gelijkwaardig zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1710
Woordfamilie van evenaren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| evenaarde | verleden tijd | evenaren |
| evenaarden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | evenaren |
| evenaart | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | evenaren |
| evenare | aanvoegende wijs | evenaren |
| evenarend | onvoltooid deelwoord | evenaren |
| evenarende | woordvorm | evenaren |
| geëvenaard | voltooid deelwoord | evenaren |
| geëvenaarde | woordvorm | evenaren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van evenaren zijn vastgelegd.