toneelspelen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- in een toneelstuk optreden
- zich aanstellen
Vervoeging van toneelspelen
toneelspelenhele werkwoord — speelde toneelverleden tijd enkelvoud — speelden toneelverleden tijd meervoud — toneelgespeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | speel toneel | speelde toneel |
| jij | speelt toneel | speelde toneel |
| hij, zij, het | speelt toneel | speelde toneel |
| wij | spelen toneel | speelden toneel |
| jullie | spelen toneel | speelden toneel |
| zij | spelen toneel | speelden toneel |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had toneelgespeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had toneelgespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had toneelgespeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden toneelgespeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden toneelgespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden toneelgespeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt toneelgespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb toneelgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toneelgespeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben toneelgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben toneelgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben toneelgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt toneelgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toneelgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft toneelgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| speel toneel | gebiedende wijs |
| speelde toneel | verleden tijd |
| te hebben toneelgespeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen toneelspelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toneel te spelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toneel te zullen spelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toneel zal spelen | bijzin, toekomende tijd |
| toneel zou spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| toneel zouden spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| toneel zoudt spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| toneel zullen spelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toneel zullen spelen | bijzin, toekomende tijd |
| toneel zult spelen | bijzin, toekomende tijd |
| toneelgespeeld | verleden tijd, deelwoord |
| toneelgespeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toneelgespeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toneelspeel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| toneelspeelde | bijzin, verleden tijd |
| toneelspeelden | bijzin, verleden tijd |
| toneelspeelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| toneelspelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal toneelgespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toneelgespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal toneelgespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toneelspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal toneelspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal toneelspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal toneelspelen | bijzin, toekomende tijd |
| zou toneelgespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toneelgespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toneelgespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou toneelspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou toneelspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou toneelspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou toneelspelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) toneelspelen toneel zou(dt) spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden toneelgespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden toneelgespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden toneelgespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toneelspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden toneelspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden toneelspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden toneelspelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt toneelgespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt toneelspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt toneelspelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen toneelgespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen toneelgespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen toneelgespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen toneelspelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen toneelspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen toneelspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen toneelspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen toneelspelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult toneelgespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult toneelspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult toneelspelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal toneelspelen toneel zult/zal spelen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord toneelspel
Herkomst
samenstelling van toneel en spelen
Woordfamilie van toneelspelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| speel toneel | gebiedende wijs | toneelspelen |
| speelde toneel | verleden tijd | toneelspelen |
| speelden toneel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | toneelspelen |
| speelt toneel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | toneelspelen |
| spele toneel | woordvorm | toneelspelen |
| spelen toneel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | toneelspelen |
| toneelgespeeld | voltooid deelwoord | toneelspelen |
| toneelspeel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | toneelspelen |
| toneelspeelde | subordinate-clause, verleden tijd | toneelspelen |
| toneelspeelden | subordinate-clause, verleden tijd | toneelspelen |
| toneelspeelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | toneelspelen |
| toneelspele | with-subordinate-clause | toneelspelen |
| toneelspelend | onvoltooid deelwoord | toneelspelen |
| toneelspelende | woordvorm | toneelspelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toneelspelen zijn vastgelegd.