stroom
zelfstandig naamwoord, werkwoord /stroːm/Betekenis
- rivier, beek
- elektrische stroom
- in bepaalde richting bewegende massa, zoals een groep mensen, dieren, andere objecten
Hoe spreek je stroom uit?
/strom/
Stroom bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| o | boot |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — masculine
- elektrische stroom, het transport van elektrische lading door de beweging van elektronen door geleiders en halfgeleiders onder invloed van een potentiaalverschil
- in bepaalde richting bewegende massa niet materiële zaken figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stromen | meervoud |
| stroompje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stroompjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stromen
- gebiedende wijs van stromen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stromen
Vervoeging van stroom
stroomhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘bewegende massa vloeistof’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van stroom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stroompje | verkleinwoord | stroom |
| stroompjes | verkleinwoord meervoud | stroom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stroom zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- stroomafwaarts
- stroombed
- stroombron
- stroomdraad
- stroomgebied
- stroomgeleider
- stroomkring
- stroomlijn
- stroomloos
- stroommeter
- stroomnet
- stroomnimf
- stroomopwaarts
- stroomprijs
- stroomregelaar
- stroomrekening
- stroomrug
- stroomsterkte
- stroomstoot
- stroomstoring
- stroomtransformator
- stroomuitval
- stroomverdeler
- stroomversnelling