samenstromen
werkwoordBetekenis
- in groten getale bijeenkomen
Vervoeging van samenstromen
samenstromenhele werkwoord — stroomde samenverleden tijd enkelvoud — stroomden samenverleden tijd meervoud — samengestroomdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stroom samen | stroomde samen |
| jij | stroomt samen | stroomde samen |
| hij, zij, het | stroomt samen | stroomde samen |
| wij | stromen samen | stroomden samen |
| jullie | stromen samen | stroomden samen |
| zij | stromen samen | stroomden samen |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben samengestroomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent samengestroomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is samengestroomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is samengestroomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| samen te stromen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samen te zullen stromen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samen zal stromen | bijzin, toekomende tijd |
| samen zou stromen | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zouden stromen | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zoudt stromen | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zullen stromen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samen zullen stromen | bijzin, toekomende tijd |
| samen zult stromen | bijzin, toekomende tijd |
| samengestroomd | verleden tijd, deelwoord |
| samengestroomd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengestroomd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samenstromend | onvoltooid, deelwoord |
| samenstroom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenstroomde | bijzin, verleden tijd |
| samenstroomden | bijzin, verleden tijd |
| samenstroomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stroom samen | gebiedende wijs |
| stroomde samen | verleden tijd |
| te zijn samengestroomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen samenstromen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart samengestroomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengestroomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren samengestroomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengestroomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was samengestroomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was samengestroomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was samengestroomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal samengestroomd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengestroomd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal samengestroomd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal samenstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal samenstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal samenstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal samenstromen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn samengestroomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn samengestroomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn samengestroomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn samengestroomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt samengestroomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou samengestroomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengestroomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengestroomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou samenstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou samenstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou samenstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou samenstromen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) samenstromen samen zou(dt) stromen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samengestroomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengestroomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengestroomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samenstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samenstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samenstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden samenstromen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt samengestroomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samenstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt samenstromen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen samengestroomd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengestroomd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengestroomd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samenstromen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen samenstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samenstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samenstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen samenstromen | bijzin, toekomende tijd |
| zult samengestroomd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult samenstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult samenstromen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal samenstromen samen zult/zal stromen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van samen bw en stromen ww
Woordfamilie van samenstromen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| samengestroomd | voltooid deelwoord | samenstromen |
| samengestroomde | woordvorm | samenstromen |
| samenstrome | with-subordinate-clause | samenstromen |
| samenstromend | onvoltooid deelwoord | samenstromen |
| samenstromende | woordvorm | samenstromen |
| samenstroom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenstromen |
| samenstroomde | subordinate-clause, verleden tijd | samenstromen |
| samenstroomden | subordinate-clause, verleden tijd | samenstromen |
| samenstroomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenstromen |
| strome samen | woordvorm | samenstromen |
| stromen samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | samenstromen |
| stroom samen | gebiedende wijs | samenstromen |
| stroomde samen | verleden tijd | samenstromen |
| stroomden samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | samenstromen |
| stroomt samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | samenstromen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenstromen zijn vastgelegd.