strook
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- (dun) voorwerp waarvan de lengte groot is in vergelijking met de breedte
- in het bijzonder van textiel of papier gemaakt
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- object waarvan de lengte groot is in vergelijking met de breedte
- [1], in het bijzonder van textiel of papier gemaakt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stroken | meervoud |
| strookje | verkleinwoord, enkelvoud |
| strookjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stroken
- gebiedende wijs van stroken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stroken
Vervoeging van strook
strookhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘reep’ voor het eerst aangetroffen in 1604
Woordfamilie van strook
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| strookje | verkleinwoord | strook |
| strookjes | verkleinwoord meervoud | strook |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van strook zijn vastgelegd.