droom
zelfstandig naamwoord, werkwoord dromBetekenis
- beelden die men ziet wanneer men slaapt
- beelden die niet op waarheid berusten
- een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
Hoe spreek je droom uit?
/drom/
Droom bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| r | rood |
| o | boot |
| m | maan |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dromen | meervoud |
| droompje | verkleinwoord, enkelvoud |
| droompjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dromen
- gebiedende wijs van dromen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dromen
Vervoeging van droom
droomhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands droom van Oudnederlands droom, in de betekenis van ‘voorstelling in de slaap’ aangetroffen vanaf de tweede helft van de 12e eeuw
Woordfamilie van droom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| droompje | verkleinwoord | droom |
| droompjes | verkleinwoord meervoud | droom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van droom zijn vastgelegd.