chromosoom
zelfstandig naamwoord ˌxromoˈzomBetekenis
- staafachtig lichaampje in de celkern dat drager van erfelijke eigenschappen is
Hoe spreek je chromosoom uit?
/ˌxromoˈzom/
Chromosoom bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| o | boot |
| m | maan |
| z | zon |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| chromosomen | meervoud |
| chromosoompje | verkleinwoord, enkelvoud |
| chromosoompjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Duits Chromosom, in de betekenis van ‘drager van erfelijke eigenschappen in celkern’ aangetroffen vanaf 1907
Woordfamilie van chromosoom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| chromosomen | meervoud | chromosoom |
| chromosoompje | verkleinwoord | chromosoom |
| chromosoompjes | verkleinwoord meervoud | chromosoom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van chromosoom zijn vastgelegd.