Naar de inhoud

uitstromen

naar buiten stromen

uitstromen is meer dan één woord

uitstromen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. naar buiten stromen
  2. leegstromen

Vervoeging van uitstromen

uitstromenhele werkwoord — stroomde uitverleden tijd enkelvoud — stroomden uitverleden tijd meervoud — uitgestroomdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stroom uit stroomde uit
jij stroomt uit stroomde uit
hij, zij, het stroomt uit stroomde uit
wij stromen uit stroomden uit
jullie stromen uit stroomden uit
zij stromen uit stroomden uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgestroomd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgestroomd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgestroomd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgestroomd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgestroomd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgestroomd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgestroomd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgestroomd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgestroomd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgestroomd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgestroomd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgestroomd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgestroomd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgestroomd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgestroomd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stroom uit gebiedende wijs
stroomde uit verleden tijd
te hebben uitgestroomd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitstromen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te stromen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen stromen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal stromen bijzin, toekomende tijd
uit zou stromen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden stromen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt stromen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen stromen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen stromen bijzin, toekomende tijd
uit zult stromen bijzin, toekomende tijd
uitgestroomd verleden tijd, deelwoord
uitgestroomd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgestroomd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitstromend onvoltooid, deelwoord
uitstroom bijzin, tegenwoordige tijd
uitstroomde bijzin, verleden tijd
uitstroomden bijzin, verleden tijd
uitstroomt bijzin, tegenwoordige tijd
zal uitgestroomd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgestroomd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgestroomd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitstromen bijzin, toekomende tijd
zou uitgestroomd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgestroomd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgestroomd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitstromen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitstromen uit zou(dt) stromen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgestroomd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgestroomd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgestroomd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitstromen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgestroomd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitstromen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgestroomd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgestroomd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgestroomd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitstromen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitstromen bijzin, toekomende tijd
zult uitgestroomd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitstromen bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitstromen uit zult/zal stromen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord uitstroom

Herkomst

samenstelling van uit en stromen

Woordfamilie van uitstromen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
strome uit woordvorm uitstromen
stromen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitstromen
stroom uit gebiedende wijs uitstromen
stroomde uit verleden tijd uitstromen
stroomden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitstromen
stroomt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitstromen
uitgestroomd voltooid deelwoord uitstromen
uitstrome with-subordinate-clause uitstromen
uitstromend onvoltooid deelwoord uitstromen
uitstromende woordvorm uitstromen
uitstroomde subordinate-clause, verleden tijd uitstromen
uitstroomden subordinate-clause, verleden tijd uitstromen
uitstroomt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitstromen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitstromen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitstromen

Wat is de betekenis van uitstromen?
Uitstromen is een werkwoord. De betekenis is: naar buiten stromen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitstromen?
Zo vervoeg je uitstromen zo: het voltooid deelwoord is uitgestroomd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitstromen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. R 2
  7. O 1
  8. M 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitstromen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. R 2
  7. O 1
  8. M 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 zonder bonus
  12. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitstromen in het kort

uitstromen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitstromen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitstromen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitstromen: naar buiten stromen
Deel uitstromen — standaardnederlands.nl