uitstromen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- naar buiten stromen
- leegstromen
Vervoeging van uitstromen
uitstromenhele werkwoord — stroomde uitverleden tijd enkelvoud — stroomden uitverleden tijd meervoud — uitgestroomdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stroom uit | stroomde uit |
| jij | stroomt uit | stroomde uit |
| hij, zij, het | stroomt uit | stroomde uit |
| wij | stromen uit | stroomden uit |
| jullie | stromen uit | stroomden uit |
| zij | stromen uit | stroomden uit |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgestroomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgestroomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgestroomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgestroomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgestroomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgestroomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgestroomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgestroomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgestroomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgestroomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgestroomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgestroomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgestroomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgestroomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgestroomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stroom uit | gebiedende wijs |
| stroomde uit | verleden tijd |
| te hebben uitgestroomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitstromen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te stromen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen stromen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal stromen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou stromen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden stromen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt stromen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen stromen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen stromen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult stromen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgestroomd | verleden tijd, deelwoord |
| uitgestroomd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgestroomd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitstromend | onvoltooid, deelwoord |
| uitstroom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitstroomde | bijzin, verleden tijd |
| uitstroomden | bijzin, verleden tijd |
| uitstroomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal uitgestroomd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgestroomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgestroomd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitstromen | bijzin, toekomende tijd |
| zou uitgestroomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgestroomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgestroomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitstromen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitstromen uit zou(dt) stromen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgestroomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgestroomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgestroomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitstromen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgestroomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitstromen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgestroomd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgestroomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgestroomd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitstromen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitstromen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgestroomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitstromen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitstromen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitstromen uit zult/zal stromen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord uitstroom
Herkomst
samenstelling van uit en stromen
Woordfamilie van uitstromen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| strome uit | woordvorm | uitstromen |
| stromen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitstromen |
| stroom uit | gebiedende wijs | uitstromen |
| stroomde uit | verleden tijd | uitstromen |
| stroomden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitstromen |
| stroomt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitstromen |
| uitgestroomd | voltooid deelwoord | uitstromen |
| uitstrome | with-subordinate-clause | uitstromen |
| uitstromend | onvoltooid deelwoord | uitstromen |
| uitstromende | woordvorm | uitstromen |
| uitstroomde | subordinate-clause, verleden tijd | uitstromen |
| uitstroomden | subordinate-clause, verleden tijd | uitstromen |
| uitstroomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitstromen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitstromen zijn vastgelegd.