boom
zelfstandig naamwoord, werkwoord bomBetekenis
- een meerjarige plant die als karakteristiek heeft dat hij één of meer verhoute stammen heeft
- een stok of buis waarmee een microfoon op de optimale locatie kan worden gehouden
- (zeilvaart) rondhout aan de onderkant van een langsgetuigd zeil, anders dan de giek
- een stok waarmee een schip voortbewogen kan worden
- zijkant van een trap of ladder waar de treden of sporten aan bevestigd zijn
- een abstracte datastructuur gelijkend op 1
- lang gesprek
- toename
- (zeilvaart) giek, hout of buis aan de onderkant van het grootzeil
- boem, geluid van een explosie.
- periode van hoogtij in de economie, sterke hoogconjunctuur.
- stok of buis waarmee een microfoon op de optimale locatie kan worden gehouden.
Hoe spreek je boom uit?
/bom/
Boom bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| o | boot |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een meerjarige plant die als karakteristiek heeft dat hij een of meer verhoute stammen heeft
- stok of buis waarmee een microfoon op de optimale locatie kan worden gehouden
- rondhout aan de onderkant van een langsgetuigd zeil, anders dan de giek
- een abstracte datastructuur gelijkend op [1]
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bomen | enkelvoud |
| boompje | verkleinwoord |
| boompjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bomen
- gebiedende wijs van bomen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bomen
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boomen
- gebiedende wijs van boomen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boomen
Vervoeging van boom
boomhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] boom | canonical |
zelfstandig naamwoord — masculine
- sterke toename
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| booms | enkelvoud |
Woordfamilie van boom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boompje | verkleinwoord | boom |
| boompjes | verkleinwoord | boom |
| booms | enkelvoud | boom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boom zijn vastgelegd.