Naar de inhoud

terugstromen

terugvloeien, terugvloeien

terugstromen

werkwoord

Betekenis

  1. terugvloeien, terugvloeien

Vervoeging van terugstromen

terugstromenhele werkwoord — stroomde terugverleden tijd enkelvoud — stroomden terugverleden tijd meervoud — teruggestroomdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stroom terug stroomde terug
jij stroomt terug stroomde terug
hij, zij, het stroomt terug stroomde terug
wij stromen terug stroomden terug
jullie stromen terug stroomden terug
zij stromen terug stroomden terug
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben teruggestroomd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent teruggestroomd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is teruggestroomd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is teruggestroomd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stroom terug gebiedende wijs
stroomde terug verleden tijd
te zijn teruggestroomd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen terugstromen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terug te stromen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
terug te zullen stromen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terug zal stromen bijzin, toekomende tijd
terug zou stromen bijzin, voorwaardelijk
terug zouden stromen bijzin, voorwaardelijk
terug zoudt stromen bijzin, voorwaardelijk
terug zullen stromen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
terug zullen stromen bijzin, toekomende tijd
terug zult stromen bijzin, toekomende tijd
teruggestroomd verleden tijd, deelwoord
teruggestroomd te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
teruggestroomd zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
terugstromend onvoltooid, deelwoord
terugstroom bijzin, tegenwoordige tijd
terugstroomde bijzin, verleden tijd
terugstroomden bijzin, verleden tijd
terugstroomt bijzin, tegenwoordige tijd
waart teruggestroomd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren teruggestroomd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren teruggestroomd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren teruggestroomd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was teruggestroomd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was teruggestroomd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was teruggestroomd voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal teruggestroomd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal teruggestroomd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal teruggestroomd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal terugstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal terugstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal terugstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal terugstromen bijzin, toekomende tijd
zijn teruggestroomd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn teruggestroomd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn teruggestroomd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn teruggestroomd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt teruggestroomd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou teruggestroomd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou teruggestroomd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou teruggestroomd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou terugstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou terugstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou terugstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou terugstromen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) terugstromen terug zou(dt) stromen bijzin, voorwaardelijk
zouden teruggestroomd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden teruggestroomd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden teruggestroomd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden terugstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden terugstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden terugstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden terugstromen bijzin, voorwaardelijk
zoudt teruggestroomd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt terugstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt terugstromen bijzin, voorwaardelijk
zullen teruggestroomd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen teruggestroomd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen teruggestroomd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen terugstromen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen terugstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen terugstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen terugstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen terugstromen bijzin, toekomende tijd
zult teruggestroomd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult terugstromen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult terugstromen bijzin, toekomende tijd
zult/zal terugstromen terug zult/zal stromen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van terug en stromen

Woordfamilie van terugstromen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
strome terug woordvorm terugstromen
stromen terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon terugstromen
stroom terug gebiedende wijs terugstromen
stroomde terug verleden tijd terugstromen
stroomden terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon terugstromen
stroomt terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon terugstromen
teruggestroomd voltooid deelwoord terugstromen
terugstrome with-subordinate-clause terugstromen
terugstromend onvoltooid deelwoord terugstromen
terugstromende woordvorm terugstromen
terugstroom subordinate-clause, tegenwoordige tijd terugstromen
terugstroomde subordinate-clause, verleden tijd terugstromen
terugstroomden subordinate-clause, verleden tijd terugstromen
terugstroomt subordinate-clause, tegenwoordige tijd terugstromen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugstromen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over terugstromen

Wat betekent terugstromen?
Terugstromen is een werkwoord. Het woord betekent: terugvloeien, terugvloeien.
Hoe vervoeg je terugstromen?
Je vervoegt terugstromen als volgt: het voltooid deelwoord is teruggestroomd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord terugstromen is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. U 4
  5. G 3
  6. S 2
  7. T 2
  8. R 2
  9. O 1
  10. M 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

terugstromen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. U 2
  5. G 3
  6. S 2
  7. T 2
  8. R 2
  9. O 1
  10. M 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 zonder bonus
  14. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

terugstromen in het kort

terugstromen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van terugstromen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort terugstromen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

terugstromen: terugvloeien, terugvloeien
Deel terugstromen — standaardnederlands.nl