steel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- staaf
- staafvormig handvat (bijv. bij gereedschap)
- deel van een plant, waarmee een bloem of vrucht aan de stengel vastzit, bladsteel
- harder maken
- staal
zelfstandig naamwoord — masculine
- staaf- of buisvormig handvat, bijv. bij gereedschappen
- deel van een plant waarmee een bloem of vrucht aan de stengel vastzit, bladsteel
- verbindingsstuk als zodanig, bijv. in de anatomie figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| steeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| steeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| stelen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stelen
- gebiedende wijs van stelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stelen
Vervoeging van steel
steelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘stengel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1344
Woordfamilie van steel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| steeltje | verkleinwoord | steel |
| steeltjes | verkleinwoord meervoud | steel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van steel zijn vastgelegd.