stal
zelfstandig naamwoord, werkwoord /stɑl/Betekenis
- ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
- een (handels-)onderneming die deelneemt aan wedstrijden met paarden, auto’s en dergelijke
- marktkraam
- verkoopruimte bij openbare gelegenheden zoals stations, ziekenhuizen en dergelijke
Hoe spreek je stal uit?
/stɑl/
Stal bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɑ | bad |
| l | land |
zelfstandig naamwoord — masculine
- groep mensen die men onder contract heeft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stallen | meervoud |
| stalletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stalletjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van stelen
Vervoeging van stal
stalhele werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stallen
- gebiedende wijs van stallen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stallen
Vervoeging van stal
stalhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘verblijf van dieren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701
Woordfamilie van stal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stalletje | verkleinwoord | stal |
| stalletjes | verkleinwoord meervoud | stal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stal zijn vastgelegd.