rond
bijvoeglijk naamwoord, voorzetsel, bijwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord rɔntBetekenis
- cirkelvormig.
- soepel, zacht, niet scherp, half strak
- (bij bedragen:) op een of meer nullen eindigend
- vol, gevuld
- om, rondom
- rond het tijdstip van, omstreeks
- ronde, cirkelvormige ruimte
Hoe spreek je rond uit?
/rɔnt/
Rond bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
bijvoeglijk naamwoord
- op een of meer nullen eindigend
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ronde | verbogen, stellende trap |
| ronder | onverbogen, vergrotende trap |
| rondere | verbogen, vergrotende trap |
| ronders | partitief, vergrotende trap |
| ronds | partitief, stellende trap |
| rondst | onverbogen, overtreffende trap |
| rondste | verbogen, overtreffende trap |
voorzetsel
- ongeveer
- in de buurt van
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ronden
- gebiedende wijs van ronden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ronden
Vervoeging van rond
rondhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bolvormig’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van rond
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ronder | vergrotende trap | rond |
| rondere | verbogen vergrotende trap | rond |
| ronders | partitieve vergrotende trap | rond |
| ronds | partitive, positive | rond |
| rondst | uninflected, superlative | rond |
| rondste | inflected, superlative | rond |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rond zijn vastgelegd.