verbond
zelfstandig naamwoord, werkwoord vɛrˈbɔntBetekenis
- een verdrag tussen staat|staten, zakenpartners of individuen, omwille van een gemeenschappelijk voordeel
Hoe spreek je verbond uit?
/vɛrˈbɔnt/
Verbond bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| b | bak |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- verdrag tussen staten, zakenpartners of individuen, omwille van een gemeenschappelijk voordeel
- plechtige belofte van God aan mensen die zich juist gedragen (zoals in Genesis 17, Exodus 34, Leviticus 26 en Hebreeën 8
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| verbonden | meervoud |
| verbondje | verkleinwoord, enkelvoud |
| verbondjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van verbinden
Vervoeging van verbond
verbondhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands verbont, op te vatten als naamwoord van handeling van verbinden ww ; in de Bijbel gebruikt als vertaling van Hebreeuws בְּרִית zn (briet)
Woordfamilie van verbond
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verbondje | verkleinwoord | verbond |
| verbondjes | verkleinwoord meervoud | verbond |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verbond zijn vastgelegd.