rondhangen
werkwoordBetekenis
- op een plaats langdurig verblijven zonder iets te doen te hebben
Vervoeging van rondhangen
rondhangenhele werkwoord — hing rondverleden tijd enkelvoud — hingen rondverleden tijd meervoud — rondgehangenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hang rond | hing rond |
| jij | hangt rond | hing rond |
| hij, zij, het | hangt rond | hing rond |
| wij | hangen rond | hingen rond |
| jullie | hangen rond | hingen rond |
| zij | hangen rond | hingen rond |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is rondgehangen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was rondgehangen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd rondgehangen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt rondgehangen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal rondgehangen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal rondgehangen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou rondgehangen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou rondgehangen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had rondgehangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had rondgehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had rondgehangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden rondgehangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden rondgehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden rondgehangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt rondgehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hang rond | gebiedende wijs |
| heb rondgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben rondgehangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben rondgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben rondgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben rondgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt rondgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft rondgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft rondgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hing rond | verleden tijd |
| rond te hangen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| rond te zullen hangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| rond zal hangen | bijzin, toekomende tijd |
| rond zou hangen | bijzin, voorwaardelijk |
| rond zouden hangen | bijzin, voorwaardelijk |
| rond zoudt hangen | bijzin, voorwaardelijk |
| rond zullen hangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| rond zullen hangen | bijzin, toekomende tijd |
| rond zult hangen | bijzin, toekomende tijd |
| rondgehangen | verleden tijd, deelwoord |
| rondgehangen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| rondgehangen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| rondhang | bijzin, tegenwoordige tijd |
| rondhangend | onvoltooid, deelwoord |
| rondhangt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| rondhing | bijzin, verleden tijd |
| rondhingen | bijzin, verleden tijd |
| te hebben rondgehangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rondhangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal rondgehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal rondgehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal rondgehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rondhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rondhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rondhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal rondhangen | bijzin, toekomende tijd |
| zou rondgehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou rondgehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou rondgehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rondhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rondhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rondhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou rondhangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) rondhangen rond zou(dt) hangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden rondgehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden rondgehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden rondgehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rondhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rondhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rondhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden rondhangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt rondgehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rondhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt rondhangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen rondgehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen rondgehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen rondgehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rondhangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rondhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rondhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rondhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen rondhangen | bijzin, toekomende tijd |
| zult rondgehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rondhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult rondhangen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal rondhangen rond zult/zal hangen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van rond en hangen
Woordfamilie van rondhangen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hang rond | gebiedende wijs | rondhangen |
| hange rond | woordvorm | rondhangen |
| hangen rond | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | rondhangen |
| hangt rond | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rondhangen |
| hing rond | verleden tijd | rondhangen |
| hingen rond | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rondhangen |
| hingt rond | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | rondhangen |
| rondgehangen | voltooid deelwoord | rondhangen |
| rondhang | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | rondhangen |
| rondhange | with-subordinate-clause | rondhangen |
| rondhangend | onvoltooid deelwoord | rondhangen |
| rondhangende | woordvorm | rondhangen |
| rondhangt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | rondhangen |
| rondhing | subordinate-clause, verleden tijd | rondhangen |
| rondhingen | subordinate-clause, verleden tijd | rondhangen |
| rondhingt | with-subordinate-clause | rondhangen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rondhangen zijn vastgelegd.