hond
zelfstandig naamwoord hɔntBetekenis
- een zoogdier dat tot huisdier getemd is
Hoe spreek je hond uit?
/hɔnt/
Hond bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- Canis lupus familiaris zoogdier uit de familie van de hondachtigen (Canidae), en een gedomesticeerde ondersoort van de wolf die al sinds duizenden jaren door mensen op alle continenten wordt gebruikt
- minderwaardig persoon pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| honden | meervoud |
| hondje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hondjes | verkleinwoord, meervoud |
zelfstandig naamwoord
- landmaat ter waarde van 100 roeden [3]
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| honden | meervoud |
| hondje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hondjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
zelfstandig naamwoord: erfwoord, uiteindelijk te herleiden tot Indo-Europees *ḱun-to-. In de betekenis van ‘dier, hondachtige’ voor het eerst aangetroffen in de periode 901-1000
zelfstandig naamwoord: Van Latijn centum (zie ook honderd). In de betekenis van ‘landmaat van 100 roeden’ voor het eerst aangetroffen in de periode 1130-1161
Woordfamilie van hond
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| honden | meervoud | hond |
| hondjes | verkleinwoord meervoud | hond |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hond zijn vastgelegd.