ronde
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een afgebakend onderdeel van een groter geheel
- een wedstrijd in de vorm van een rondrit
- een rondgang om iets te controleren
Woordvorm
- verbogen vorm van de stellende trap van rond
Woordvorm
- aanvoegende wijs van ronden
Vervoeging van ronde
rondehele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rondgang van patrouille’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1485
Woordfamilie van ronde
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rondes | meervoud | ronde |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ronde zijn vastgelegd.