grond
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣrɔntBetekenis
- een bepaald stuk van het aardoppervlak
- de stof van het aardoppervlak waarop planten en bomen groeien
- het aardoppervlak in algemene zin
- zeebodem.
- de reden of basis van gedrag, houding, standpunt of motief
- het diepste wezen van iets of iemand
Hoe spreek je grond uit?
/xrɔnt/
Grond bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- zeebodem
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gronden | meervoud |
| grondje | verkleinwoord, enkelvoud |
| grondjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gronden
- gebiedende wijs van gronden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gronden
Vervoeging van grond
grondhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘bodem’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220
Woordfamilie van grond
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grondje | verkleinwoord | grond |
| grondjes | verkleinwoord meervoud | grond |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grond zijn vastgelegd.