regaal
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord reˈɣalBetekenis
- een geheel van rietpijpen aangeblazen met een blaasbalg en bespeeld met een toetsenbord
- een register op een orgel dat de klank van 1 nabootst
- koninklijk voorrecht
- koninklijk
Hoe spreek je regaal uit?
/reˈxal/
Regaal bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| e | veel |
| x | acht |
| a | maan |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- geheel van rietpijpen aangeblazen met een blaasbalg en bespeeld met een toetsenbord
- een register op een orgel dat de klank van [1] nabootst
- iets wat als uiting van respect wordt aangeboden, zoals een beleefdheidsgeschenk of een feestelijke maaltijd
- eenvoudige kast in de vorm van een stellage van horizontale planken tussen staanders, zonder deuren en vaak ook zonder achterwand
- zwavelzuurarsenicum of ander gif gebruikt als middel om knaagdieren te verdelgen no-plural, obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [1,2,4,5]: regalen | meervoud |
| [3]: regalia | meervoud |
| [3]: regaliën | meervoud |
| regaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| regaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
zn [1], [2], [3]: via Frans régale zn van middeleeuws Latijn regale
Woordfamilie van regaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| regaals | woordvorm | regaal |
| regaalst | woordvorm | regaal |
| regaalste | woordvorm | regaal |
| regaaltje | verkleinwoord | regaal |
| regaaltjes | verkleinwoord meervoud | regaal |
| regale | woordvorm | regaal |
| regalen | meervoud | regaal |
| regaler | woordvorm | regaal |
| regalers | woordvorm | regaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van regaal zijn vastgelegd.