radicaal
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord ˌradiˈkalBetekenis
- iemand die de uiterste consequenties van een zienswijze aanvaardt
- aanhanger van een politieke partij of beweging die zeer ingrijpende hervormingen beoogt
- een molecuul of atoom dat al dan niet geladen kan zijn, maar dat een ongepaard elektron heeft
- bewijs van een aanspraak op een bepaald voorrecht, op het uitoefenen van een bepaalde functie enz
- diep ingrijpend
- strevend naar diep ingrijpende hervormingen
- uit wortels bestaande
- diep ingrijpend, met wortel en tak
Hoe spreek je radicaal uit?
/ˌradiˈkal/
Radicaal bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| a | maan |
| d | dak |
| i | riet |
| k | kat |
| l | land |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| radicaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| radicaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| radicalen | meervoud |
Herkomst
met het achtervoegsel -aal van Frans radical bn , in de betekenis van ‘totaal, consequent’ aangetroffen vanaf 1787 Dit gaat weer terug op Latijn radix zn (2e naamval radicis) "wortel, oorsprong".
Woordfamilie van radicaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| radicaals | woordvorm | radicaal |
| radicaalst | woordvorm | radicaal |
| radicaalste | woordvorm | radicaal |
| radicaaltje | verkleinwoord | radicaal |
| radicaaltjes | verkleinwoord meervoud | radicaal |
| radicale | woordvorm | radicaal |
| radicalen | meervoud | radicaal |
| radicaler | woordvorm | radicaal |
| radicalere | woordvorm | radicaal |
| radicalers | woordvorm | radicaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van radicaal zijn vastgelegd.