petrischaal
zelfstandig naamwoord ˈpetriˌsxalBetekenis
- een lage platte ronde glazen- of kunststofschaal met een ruim eroverheen passend deksel
Hoe spreek je petrischaal uit?
/ˈpetriˌsxal/
Petrischaal bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| e | veel |
| t | tak |
| r | rood |
| i | riet |
| s | sok |
| x | acht |
| a | maan |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- laag plat ronde bakje van glas of kunststof met een ruim eroverheen passend deksel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| petrischaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| petrischaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| petrischalen | meervoud |
Herkomst
eponiem, leenvertaling van Duits Petrischale, samenstelling van Petri en "de familienaam van de uitvinder, de 19e eeuwse Duitse bacterioloog R.J. Petri " en schaal zn , geschreven met een kleine letter volgens spellingregel 16.D; in de betekenis "kweekbakje" aangetroffen vanaf 1900 (zie vindplaats hieronder)
Woordfamilie van petrischaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| petrischaaltje | verkleinwoord | petrischaal |
| petrischaaltjes | verkleinwoord meervoud | petrischaal |
| petrischalen | meervoud | petrischaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van petrischaal zijn vastgelegd.