pasar
zelfstandig naamwoord /ˈpɑzɑr/Betekenis
- (Nederlands-Indië) plaatselijke markt
- (Nederlands-Indië) terrein waar de markt wordt gehouden
- (Nederlands-Indië) dag binnen de vijfdaagse Javaanse kalender die bepaalde wanneer er markt wordt gehouden
- markt
- met eenvoudige zinsbouw en woordkeus als in een handelstaal
- onbegroeid, kaalgelopen
- gaan, voorbijgaan, langskomen, passeren
- verstrijken (van tijd)
- binnengaan, binnenkomen
- gebeuren, voorvallen, geschieden
- overbrengen
- geven, doorgeven
- doorheengaan, doorboren
- oversteken (bergen)
- overtrekken (gebied)
- doorwaden (rivier))
- voorbijgaan, achter zich laten
- doormaken (van tijd)
Hoe spreek je pasar uit?
/ˈpɑzɑr/
Pasar bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| z | zon |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- plaatselijke markt
- terrein waar de markt wordt gehouden
- dag binnen de vijfdaagse Javaanse kalender die bepaalde wanneer er markt wordt gehouden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Herkomst
van Indonesisch pasar zn , aangetroffen in de betekenis 'markt' vanaf 1636
Woordfamilie van pasar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pasars | meervoud | pasar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pasar zijn vastgelegd.