kompas
zelfstandig naamwoord kɔmˈpɑsBetekenis
- instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
Hoe spreek je kompas uit?
/kɔmˈpɑs/
Kompas bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| m | maan |
| p | pak |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- instrument [1] waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
- richtlijn, richtsnoer, iets wat als toonaangevend voorbeeld moet dienen figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kompasje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kompasjes | verkleinwoord, meervoud |
| kompassen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘instrument dat de windstreken aanwijst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1384
Woordfamilie van kompas
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kompasje | verkleinwoord | kompas |
| kompasjes | verkleinwoord meervoud | kompas |
| kompassen | meervoud | kompas |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kompas zijn vastgelegd.