gras
zelfstandig naamwoord ɣrɑsBetekenis
- plantenfamilie omvattende gras (zie betekenis 2), graan, rijst, bamboe
- bepaalde groep van soorten binnen die familie die gebruikt wordt in de tuin, op (sport)velden, in de wei...
- het
- vet
- vettig
Hoe spreek je gras uit?
/xrɑs/
Gras bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — neuter
- benaming voor planten uit de familie Poaceae plantenfamilie omvattende gras , graan, rijst, bamboe
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| grasje | verkleinwoord, enkelvoud |
| grasjes | verkleinwoord, meervoud |
| grassen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘gewas op weiden e.d.’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1125.
Woordfamilie van gras
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grasje | verkleinwoord | gras |
| grasjes | verkleinwoord meervoud | gras |
| grassen | meervoud | gras |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gras zijn vastgelegd.