las
zelfstandig naamwoord, werkwoord lɑsBetekenis
- vastverbonden voeg tussen twee metalen voorwerpen
- vermoeid
- last; iets wat een mens hindert
- bos
- de
Hoe spreek je las uit?
/lɑs/
Las bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɑ | bad |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lasje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lasjes | verkleinwoord, meervoud |
| lassen | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van lezen
Vervoeging van las
lashele werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lassen
- gebiedende wijs van lassen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lassen
Vervoeging van las
lashele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘verbinding’ voor het eerst aangetroffen in 1409
Woordfamilie van las
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lasje | verkleinwoord | las |
| lasjes | verkleinwoord meervoud | las |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van las zijn vastgelegd.