vlas
zelfstandig naamwoord, werkwoord vlɑsBetekenis
- gewas dat verbouwd wordt voor de productie van linnen en lijnzaadolie
- worden gewonnen en het daaruit gesponnen draad
- haar, hoofdhaar; uitgroeisel van het epidermis dat delen van het hoofd bedekt
- haar; uitgroeisel van het epidermis bij zoogdieren die delen van of het gehele lichaam bedekken
- (figuurlijk) haar; een kleine afstand
- pačesy
- vlásek
Hoe spreek je vlas uit?
/vlɑs/
Vlas bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| l | land |
| ɑ | bad |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — neuter
- bepaald soort plant, Linum usitatissimum
- bepaald gewas, Linum usitatissimum, verbouwd voor de productie van linnen en lijnzaadolie
- vezels die uit Linum usitatissimum worden gewonnen en het daaruit gesponnen draad
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vlasje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vlasjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlassen
- gebiedende wijs van vlassen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlassen
Vervoeging van vlas
vlashele werkwoord
Herkomst
erfwoord van Middelnederlands vlas, dat teruggaat op Protogermaans *flahsa; in de betekenis van ‘plantengeslacht’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van vlas
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vlasje | verkleinwoord | vlas |
| vlasjes | verkleinwoord meervoud | vlas |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vlas zijn vastgelegd.