tras
zelfstandig naamwoord, werkwoord trɑsBetekenis
- gemalen tufsteen, kan aan cement en beton worden toegevoegd
- cement waaraan gemalen tufsteen aan is toegevoegd
- iets dat is gemaakt met cement of beton waaraan tras is toegevoegd
- uitgeperst suikerriet
- afgehakte bladeren van suikerriet
- na, achter
- achterna
Hoe spreek je tras uit?
/trɑs/
Tras bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| s | sok |
Klinkt hetzelfde als trance.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] | canonical |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trassen
- gebiedende wijs van trassen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trassen
Vervoeging van tras
trashele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gemalen tufsteen’ voor het eerst aangetroffen in 1516