ananas
zelfstandig naamwoord ˈɑnaˌnɑsBetekenis
- ook: Ananas sativus), een vrucht van de ananasplant
- ananas
- ananasovník
- rostlina
- ovoce
- ananas, ananasplant
Hoe spreek je ananas uit?
/ˈɑnaˌnɑs/
Ananas bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| n | nek |
| a | maan |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Ananas comosus (ook: Ananas sativus), een vrucht van de ananasplant
- een uit Zuid-Amerika afkomstige plant van de soort Ananas comosus
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ananasje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ananasjes | verkleinwoord, meervoud |
| ananassen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in 1596
Woordfamilie van ananas
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ananasje | verkleinwoord | ananas |
| ananasjes | verkleinwoord meervoud | ananas |
| ananassen | meervoud | ananas |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ananas zijn vastgelegd.