bas
zelfstandig naamwoord, werkwoord /bɑs/Betekenis
- zanger met een basstem, baszanger
- laagste partij in een muziekstuk
- laagste mannenstem
- een zanger met deze lage mannenstem
- het laagstklinkende muziekinstrument uit een familie, bijvoorbeeld contrabas, basgitaar etc.
- dochter, meisje
- stuiver
- bast; buitenste laag van een boom, meestal het geheel van schors en aangroeilaag
- een lage mannenstem
- basgitaar; een gewoonlijk elektrisch of elektronisch versterkt viersnarig instrument met een lage ligging
- een zanger met deze lage mannenstem 2
- baskitaar
- bas
- laag, kort
- laag geplaatst
- stil
- arm
- de laagste stem in een meerstemmige compositie
- wat
Hoe spreek je bas uit?
/bɑs/
Bas bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| basje | verkleinwoord, enkelvoud |
| basjes | verkleinwoord, meervoud |
| bassen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bassen
- gebiedende wijs van bassen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bassen
Vervoeging van bas
bashele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘Bargoens: stuiver, dubbeltje’ voor het eerst aangetroffen in 1860
Woordfamilie van bas
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| basje | verkleinwoord | bas |
| basjes | verkleinwoord meervoud | bas |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bas zijn vastgelegd.