zeggen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈzɛɣə(n)Betekenis
- mededelen, zich met taal uiten
- betuigen
- bevelen
- van oordeel of mening zijn
- iets in de vorm van kritiek, een berisping e.d. geven
- betekenen
Hoe spreek je zeggen uit?
/ˈzɛxən/
Zeggen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- mededelen, zich met gesproken taal uiten transitive
- bevelen, gebieden, sommeren, verordonneren transitive
- betekenen, duiden op transitive
Vervoeging van zeggen
zeggenhele werkwoord — zegdeverleden tijd enkelvoud — zegdenverleden tijd meervoud — gezegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zeg | zegde |
| jij | zegt | zegde |
| hij, zij, het | zegt | zegde |
| wij | zeggen | zegden |
| jullie | zeggen | zegden |
| zij | zeggen | zegden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gezegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezegd | verleden tijd, deelwoord |
| gezegd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezegd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezegd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezegd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezegd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezegd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezegd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezegd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zeggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gezegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gezegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zeg | gebiedende wijs |
| zegge | aanvoegende wijs |
| zeggend | onvoltooid, deelwoord |
| zei *, zegde | verleden tijd |
| zijn gezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zegge
Herkomst
In de betekenis van ‘spreken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1260
Woordfamilie van zeggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zegde | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon | zeggen |
| zegden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zeggen |
| zegdet | obsolete | zeggen |
| zeggend | onvoltooid deelwoord | zeggen |
| zeggende | woordvorm | zeggen |
| zegt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zeggen |
| zei | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon | zeggen |
| zeide | obsolete | zeggen |
| zeiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zeggen |
| zeidt | woordvorm | zeggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeggen zijn vastgelegd.