Naar de inhoud

zeggen

mededelen, zich met taal uiten

zeggen is meer dan één woord

zeggen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈzɛɣə(n)

Betekenis

  1. mededelen, zich met taal uiten
  2. betuigen
  3. bevelen
  4. van oordeel of mening zijn
  5. iets in de vorm van kritiek, een berisping e.d. geven
  6. betekenen

Hoe spreek je zeggen uit?

/ˈzɛxən/

Zeggen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈzɛxən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
z zon
ɛ bed
x acht
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. mededelen, zich met gesproken taal uiten transitive
  2. bevelen, gebieden, sommeren, verordonneren transitive
  3. betekenen, duiden op transitive

Vervoeging van zeggen

zeggenhele werkwoord — zegdeverleden tijd enkelvoud — zegdenverleden tijd meervoud — gezegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zeg zegde
jij zegt zegde
hij, zij, het zegt zegde
wij zeggen zegden
jullie zeggen zegden
zij zeggen zegden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gezegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gezegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gezegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gezegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gezegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gezegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gezegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gezegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gezegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gezegd verleden tijd, deelwoord
gezegd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gezegd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gezegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezegd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezegd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezegd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gezegd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gezegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gezegd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gezegd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gezegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gezegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gezegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gezegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gezegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gezegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gezegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gezegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gezegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zeggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen zeggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gezegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gezegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gezegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gezegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gezegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gezegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gezegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zeggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal zeggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal zeggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zeg gebiedende wijs
zegge aanvoegende wijs
zeggend onvoltooid, deelwoord
zei *, zegde verleden tijd
zijn gezegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gezegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou zeggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou zeggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou zeggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden zeggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden zeggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden zeggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt zeggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gezegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gezegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gezegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gezegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gezegd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gezegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen zeggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen zeggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen zeggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen zeggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gezegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gezegd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult zeggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord zegge

Herkomst

In de betekenis van ‘spreken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1260

Woordfamilie van zeggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
zegde aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon zeggen
zegden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon zeggen
zegdet obsolete zeggen
zeggend onvoltooid deelwoord zeggen
zeggende woordvorm zeggen
zegt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon zeggen
zei aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon zeggen
zeide obsolete zeggen
zeiden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon zeggen
zeidt woordvorm zeggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeggen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over zeggen

Hoe spreek ik zeggen uit?
Zo spreek je zeggen uit: /ˈzɛɣə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van zeggen?
Zeggen is een werkwoord. De betekenis is: mededelen, zich met taal uiten. In totaal staan er 9 betekenissen.
Hoe vervoeg ik zeggen?
Zo vervoeg je zeggen zo: de tegenwoordige tijd is zeg, de verleden tijd is zegde en het voltooid deelwoord is gezegd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op zeggen?

Er staan 12 woorden in dit woordenboek die op zeggen rijmen, waaronder overleggen, leggen en krijgen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op zeggen, uitspraak ˈzɛxən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
overleggen 4
leggen 2
krijgen 2
keggen 2
dreggen 2
verzeggen 3
peggen 2
eenrichtingswegen 5
hangmatbeleggen 5
neggen 2
ontlastingswegen 5
vredesoverleggen 6

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord zeggen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. Z 4
  2. E 1
  3. G 3
  4. G 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

zeggen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. Z 5
  2. E 1
  3. G 3
  4. G 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 14 zonder bonus
  8. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

zeggen telt 6 letters, waarvan 4 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

zeggen in het kort

zeggen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 9 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van zeggen staan er 79 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort zeggen bij een woordfamilie van 10 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

zeggen: mededelen, zich met taal uiten
Deel zeggen — standaardnederlands.nl