Naar de inhoud

meedelen

een feit vertellen

meedelen

werkwoord /ˈmedelə(n)/

Betekenis

  1. een feit vertellen

Hoe spreek je meedelen uit?

/ˈmedelən/

Meedelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈmedelən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
m maan
e veel
d dak
l land
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van meedelen

meedelenhele werkwoord — deelde meeverleden tijd enkelvoud — deelden meeverleden tijd meervoud — meegedeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik deel mee deelde mee
jij deelt mee deelde mee
hij, zij, het deelt mee deelde mee
wij delen mee deelden mee
jullie delen mee deelden mee
zij delen mee deelden mee
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben meegedeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent meegedeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
deel mee gebiedende wijs
deelde mee verleden tijd
er is meegedeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was meegedeeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd meegedeeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt meegedeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal meegedeeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal meegedeeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou meegedeeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou meegedeeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had meegedeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had meegedeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had meegedeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden meegedeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden meegedeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden meegedeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt meegedeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb meegedeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegedeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben meegedeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegedeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben meegedeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt meegedeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegedeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegedeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is meegedeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is meegedeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mededelen
mee te delen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen delen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal delen bijzin, toekomende tijd
mee zou delen bijzin, voorwaardelijk
mee zouden delen bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt delen bijzin, voorwaardelijk
mee zullen delen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen delen bijzin, toekomende tijd
mee zult delen bijzin, toekomende tijd
meedeel bijzin, tegenwoordige tijd
meedeelde bijzin, verleden tijd
meedeelden bijzin, verleden tijd
meedeelt bijzin, tegenwoordige tijd
meedelend onvoltooid, deelwoord
meegedeeld verleden tijd, deelwoord
meegedeeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
meegedeeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
meegedeeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegedeeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegedeeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegedeeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
meegedeeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
meegedeeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meegedeeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
meegedeeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben meegedeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meedelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart meegedeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegedeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren meegedeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegedeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was meegedeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was meegedeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was meegedeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd meegedeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd meegedeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd meegedeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden meegedeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden meegedeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden meegedeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt meegedeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word meegedeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden meegedeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden meegedeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden meegedeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt meegedeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt meegedeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal meedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meedelen bijzin, toekomende tijd
zal meegedeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegedeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegedeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meegedeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegedeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal meegedeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegedeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn meegedeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn meegedeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn meegedeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt meegedeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou meedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meedelen bijzin, voorwaardelijk
zou meegedeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegedeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegedeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meegedeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegedeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou meegedeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegedeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegedeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegedeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) meedelen mee zou(dt) delen bijzin, voorwaardelijk
zouden meedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meedelen bijzin, voorwaardelijk
zouden meegedeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegedeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegedeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meegedeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meegedeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meegedeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meegedeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegedeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegedeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt meedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meedelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegedeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meegedeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meegedeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen meedelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meedelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meedelen bijzin, toekomende tijd
zullen meegedeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegedeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegedeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meegedeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meegedeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meegedeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meegedeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegedeeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegedeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van mee bw en delen ww

Woordfamilie van meedelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
deel mee gebiedende wijs meedelen
deelde mee verleden tijd meedelen
deelden mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meedelen
deelt mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meedelen
dele mee woordvorm meedelen
delen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meedelen
meedeel subordinate-clause, tegenwoordige tijd meedelen
meedeelde subordinate-clause, verleden tijd meedelen
meedeelden subordinate-clause, verleden tijd meedelen
meedeelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd meedelen
meedele with-subordinate-clause meedelen
meedelend onvoltooid deelwoord meedelen
meedelende woordvorm meedelen
meegedeeld voltooid deelwoord meedelen
meegedeelde woordvorm meedelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meedelen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over meedelen

Hoe spreek ik meedelen uit?
Zo spreek je meedelen uit: /ˈmedelə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van meedelen?
Meedelen is een werkwoord. De betekenis is: een feit vertellen.
Hoe vervoeg ik meedelen?
Zo vervoeg je meedelen zo: het voltooid deelwoord is meegedeeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meedelen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. D 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meedelen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. D 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 zonder bonus
  10. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meedelen in het kort

meedelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van meedelen staan er 89 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort meedelen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

meedelen: een feit vertellen
Deel meedelen — standaardnederlands.nl