vertellen
werkwoord vərˈtɛlə(n)Betekenis
- een al of niet ware gebeurtenis verhalen
- zich ~ verkeerd tellen, een telfout maken
Hoe spreek je vertellen uit?
/vərˈtɛlən/
Vertellen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een al of niet ware gebeurtenis verhalen; spreken over een al dan niet ware gebeurtenis transitive
Vervoeging van vertellen
vertellenhele werkwoord — verteldeverleden tijd enkelvoud — verteldenverleden tijd meervoud — verteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vertel | vertelde |
| jij | vertelt | vertelde |
| hij, zij, het | vertelt | vertelde |
| wij | vertellen | vertelden |
| jullie | vertellen | vertelden |
| zij | vertellen | vertelden |
Alle 122 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is verteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vertellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vertellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vertel | gebiedende wijs |
| vertel me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vertel u/je , vertelt je | gebiedende wijs |
| verteld | verleden tijd, deelwoord |
| verteld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verteld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verteld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verteld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verteld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verteld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verteld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verteld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vertelde | verleden tijd |
| vertelde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertelde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertelde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vertelde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertelde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertelde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vertelde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertelden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertelden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertelden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertelle | aanvoegende wijs |
| vertelle zich | aanvoegende wijs |
| vertellen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertellen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertellen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertellend | onvoltooid, deelwoord |
| vertelt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vertelt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertelt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertelt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vertelt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertelt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waren verteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden verteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden verteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal me vertellen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich vertellen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vertellen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verteld hebben | verleden tijd |
| zich vertellend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou verteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je vertellen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons vertellen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vertellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zich vertellen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u vertellen | tweede persoon |
| zult u vertellen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult verteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult zich/u vertellen | tweede persoon |
| zult zich/u vertellen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Vervoeging van vertellen
vertellenhele werkwoord — verteldeverleden tijd enkelvoud — verteldenverleden tijd meervoud — verteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vertel | vertelde |
| jij | vertelt | vertelde |
| hij, zij, het | vertelt | vertelde |
| wij | vertellen | vertelden |
| jullie | vertellen | vertelden |
| zij | vertellen | vertelden |
Alle 122 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is verteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vertellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vertellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vertel | gebiedende wijs |
| vertel me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vertel u/je , vertelt je | gebiedende wijs |
| verteld | verleden tijd, deelwoord |
| verteld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verteld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verteld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verteld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verteld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verteld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verteld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verteld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vertelde | verleden tijd |
| vertelde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertelde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertelde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vertelde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertelde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertelde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vertelde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertelden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertelden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertelden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| vertelle | aanvoegende wijs |
| vertelle zich | aanvoegende wijs |
| vertellen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertellen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertellen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertellend | onvoltooid, deelwoord |
| vertelt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vertelt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertelt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vertelt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vertelt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vertelt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waren verteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden verteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden verteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal me vertellen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich vertellen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vertellen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verteld hebben | verleden tijd |
| zich vertellend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou verteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je vertellen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons vertellen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vertellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zich vertellen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u vertellen | tweede persoon |
| zult u vertellen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult verteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vertellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult zich/u vertellen | tweede persoon |
| zult zich/u vertellen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
afgeleid van tellen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van vertellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vertel | gebiedende wijs | vertellen |
| verteld | voltooid deelwoord | vertellen |
| vertelde | verleden tijd | vertellen |
| vertelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vertellen |
| vertelle | aanvoegende wijs | vertellen |
| vertellend | onvoltooid deelwoord | vertellen |
| vertellende | woordvorm | vertellen |
| vertelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vertellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vertellen zijn vastgelegd.