Naar de inhoud

vertellen

een al of niet ware gebeurtenis verhalen

vertellen

werkwoord vərˈtɛlə(n)

Betekenis

  1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
  2. zich ~ verkeerd tellen, een telfout maken

Hoe spreek je vertellen uit?

/vərˈtɛlən/

Vertellen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /vərˈtɛlən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ə de
r rood
t tak
ɛ bed
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen; spreken over een al dan niet ware gebeurtenis transitive

Vervoeging van vertellen

vertellenhele werkwoord — verteldeverleden tijd enkelvoud — verteldenverleden tijd meervoud — verteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vertel vertelde
jij vertelt vertelde
hij, zij, het vertelt vertelde
wij vertellen vertelden
jullie vertellen vertelden
zij vertellen vertelden
Alle 122 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is verteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te vertellen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vertellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vertel gebiedende wijs
vertel me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vertel u/je , vertelt je gebiedende wijs
verteld verleden tijd, deelwoord
verteld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verteld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verteld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verteld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verteld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verteld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verteld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verteld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vertelde verleden tijd
vertelde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vertelde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
vertelde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
vertelde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vertelde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
vertelde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
vertelde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vertelden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vertelden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
vertelden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
vertelle aanvoegende wijs
vertelle zich aanvoegende wijs
vertellen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vertellen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vertellen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vertellend onvoltooid, deelwoord
vertelt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vertelt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vertelt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vertelt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vertelt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vertelt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
waren verteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden verteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden verteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal me vertellen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal verteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vertellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vertellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vertellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich vertellen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je vertellen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich verteld hebben verleden tijd
zich vertellend onvoltooid, deelwoord
zijn verteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou verteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vertellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vertellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vertellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden verteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vertellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vertellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vertellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt verteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vertellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen je vertellen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons vertellen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen verteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vertellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vertellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vertellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vertellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen zich vertellen derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult u vertellen tweede persoon
zult u vertellen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult verteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vertellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult zich/u vertellen tweede persoon
zult zich/u vertellen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Vervoeging van vertellen

vertellenhele werkwoord — verteldeverleden tijd enkelvoud — verteldenverleden tijd meervoud — verteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vertel vertelde
jij vertelt vertelde
hij, zij, het vertelt vertelde
wij vertellen vertelden
jullie vertellen vertelden
zij vertellen vertelden
Alle 122 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is verteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te vertellen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vertellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vertel gebiedende wijs
vertel me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vertel u/je , vertelt je gebiedende wijs
verteld verleden tijd, deelwoord
verteld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verteld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verteld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verteld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verteld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verteld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verteld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verteld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vertelde verleden tijd
vertelde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vertelde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
vertelde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
vertelde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vertelde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
vertelde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
vertelde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vertelden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vertelden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
vertelden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
vertelle aanvoegende wijs
vertelle zich aanvoegende wijs
vertellen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vertellen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vertellen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vertellend onvoltooid, deelwoord
vertelt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vertelt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vertelt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vertelt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vertelt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vertelt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
waren verteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden verteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden verteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal me vertellen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal verteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vertellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vertellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vertellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich vertellen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je vertellen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich verteld hebben verleden tijd
zich vertellend onvoltooid, deelwoord
zijn verteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou verteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vertellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vertellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vertellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden verteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vertellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vertellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vertellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt verteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vertellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen je vertellen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons vertellen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen verteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vertellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vertellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vertellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vertellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen zich vertellen derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult u vertellen tweede persoon
zult u vertellen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult verteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vertellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult zich/u vertellen tweede persoon
zult zich/u vertellen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Herkomst

afgeleid van tellen met het voorvoegsel ver-

Woordfamilie van vertellen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
vertel gebiedende wijs vertellen
verteld voltooid deelwoord vertellen
vertelde verleden tijd vertellen
vertelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vertellen
vertelle aanvoegende wijs vertellen
vertellend onvoltooid deelwoord vertellen
vertellende woordvorm vertellen
vertelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vertellen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vertellen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over vertellen

Hoe spreek ik vertellen uit?
Zo spreek je vertellen uit: /vərˈtɛlə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van vertellen?
Vertellen is een werkwoord. De betekenis is: een al of niet ware gebeurtenis verhalen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik vertellen?
Zo vervoeg je vertellen zo: de tegenwoordige tijd is vertel, de verleden tijd is vertelde en het voltooid deelwoord is verteld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op vertellen?

In dit woordenboek rijmen 38 woorden op -ellen op vertellen, zoals samenstellen, spellen en opbellen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op vertellen, uitspraak vərˈtɛlən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
samenstellen 4
spellen 2
opbellen 3
bellen 2
bestellen 3
stellen 2
voorspellen 3
vervellen 3
tevredenstellen 5
wellen 2
ellen 2
verstellen 3
internetbellen 5
kokkerellen 4
gallon 2
bikkelspellen 4
cellen 2
croquetspellen 4
damesenkelspelen 6
detectivespellen 6
deviatietabellen 7
foltercellen 4
geitenvellen 4
gelijkspellen 4
getijdentabellen 6
hinkelspellen 4
homostellen 4
kerkbellen 4
libellen 3
liederspelen 4
moraliteitenspelen 7
nellen 2
novellen 3
predictiemodellen 6
scherpstellen 4
seychellen 3
slotkapellen 4
zakschaakspellen 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vertellen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vertellen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vertellen in het kort

vertellen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van vertellen staan er 93 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort vertellen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

vertellen: een al of niet ware gebeurtenis verhalen
Deel vertellen — standaardnederlands.nl