madrigaal
zelfstandig naamwoord ˌmadriˈɣalBetekenis
- meerstemmig niet-religieus (wereldlijk) zangstuk uit de 14e tot en met de 17e eeuw
Hoe spreek je madrigaal uit?
/ˌmadriˈxal/
Madrigaal bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| d | dak |
| r | rood |
| i | riet |
| x | acht |
| l | land |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| madrigaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| madrigaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| madrigalen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘liedvorm’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Woordfamilie van madrigaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| madrigaaltje | verkleinwoord | madrigaal |
| madrigaaltjes | verkleinwoord meervoud | madrigaal |
| madrigalen | meervoud | madrigaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van madrigaal zijn vastgelegd.