Naar de inhoud

losbreken

door breuk uit elkaar vallen

losbreken

werkwoord ˈlɔzbrekə(n)

Betekenis

  1. door breuk uit elkaar vallen
  2. losbarsten (met geweld tot een uitbarsting komen)
  3. losmaken of afscheiden door te breken
  4. veranderen door met kracht en inspanning ergens mee te stoppen

Hoe spreek je losbreken uit?

/ˈlɔzbrekən/

Losbreken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈlɔzbrekən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
l land
ɔ bot
z zon
b bak
r rood
e veel
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van losbreken

losbrekenhele werkwoord — brak losverleden tijd enkelvoud — braken losverleden tijd meervoud — losgebrokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik breek los brak los
jij breekt los braakt los
hij, zij, het breekt los brak los
wij breken los braken los
jullie breken los braken los
zij breken los braken los
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben losgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent losgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
brak los verleden tijd
breek los gebiedende wijs
er is losgebroken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was losgebroken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd losgebroken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt losgebroken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal losgebroken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal losgebroken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou losgebroken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou losgebroken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had losgebroken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had losgebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had losgebroken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden losgebroken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden losgebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden losgebroken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt losgebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb losgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben losgebroken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben losgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben losgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben losgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt losgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft losgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft losgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is losgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is losgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
los te breken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
los te zullen breken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
los zal breken bijzin, toekomende tijd
los zou breken bijzin, voorwaardelijk
los zouden breken bijzin, voorwaardelijk
los zoudt breken bijzin, voorwaardelijk
los zullen breken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
los zullen breken bijzin, toekomende tijd
los zult breken bijzin, toekomende tijd
losbraakt bijzin, verleden tijd
losbrak bijzin, verleden tijd
losbraken bijzin, verleden tijd
losbreek bijzin, tegenwoordige tijd
losbreekt bijzin, tegenwoordige tijd
losbrekend onvoltooid, deelwoord
losgebroken verleden tijd, deelwoord
losgebroken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
losgebroken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
losgebroken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgebroken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgebroken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgebroken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
losgebroken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
losgebroken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
losgebroken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
losgebroken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben losgebroken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen losbreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart losgebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgebroken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren losgebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgebroken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was losgebroken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was losgebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was losgebroken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd losgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd losgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd losgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden losgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden losgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden losgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt losgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word losgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden losgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden losgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden losgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt losgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt losgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal losbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal losbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal losbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal losbreken bijzin, toekomende tijd
zal losgebroken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgebroken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal losgebroken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal losgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal losgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn losgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn losgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn losgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt losgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou losbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou losbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou losbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou losbreken bijzin, voorwaardelijk
zou losgebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou losgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou losgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) losbreken los zou(dt) breken bijzin, voorwaardelijk
zouden losbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden losbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden losbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden losbreken bijzin, voorwaardelijk
zouden losgebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden losgebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden losgebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden losgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden losgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden losgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden losgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden losgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden losgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt losbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt losbreken bijzin, voorwaardelijk
zoudt losgebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt losgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt losgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen losbreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen losbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen losbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen losbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen losbreken bijzin, toekomende tijd
zullen losgebroken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen losgebroken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen losgebroken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen losgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen losgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen losgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen losgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen losgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen losgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van los en breken

Woordfamilie van losbreken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
brak los verleden tijd losbreken
braken los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon losbreken
breek los gebiedende wijs losbreken
breekt los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon losbreken
breke los woordvorm losbreken
breken los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon losbreken
losbrak subordinate-clause, verleden tijd losbreken
losbraken subordinate-clause, verleden tijd losbreken
losbreek subordinate-clause, tegenwoordige tijd losbreken
losbreekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd losbreken
losbreke with-subordinate-clause losbreken
losbrekend onvoltooid deelwoord losbreken
losbrekende woordvorm losbreken
losgebroken voltooid deelwoord losbreken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van losbreken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over losbreken

Hoe spreek je losbreken uit?
De uitspraak van losbreken is: /ˈlɔzbrekə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent losbreken?
Losbreken is een werkwoord. Het woord betekent: door breuk uit elkaar vallen. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je losbreken?
Je vervoegt losbreken als volgt: het voltooid deelwoord is losgebroken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord losbreken is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. B 3
  5. R 2
  6. E 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

losbreken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. B 4
  5. R 2
  6. E 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

losbreken in het kort

losbreken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van losbreken zijn 90 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort losbreken bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

losbreken: door breuk uit elkaar vallen
Deel losbreken — standaardnederlands.nl