cross
zelfstandig naamwoord krɔsBetekenis
- wedstrijd door open terrein vol natuurlijke hindernissen
- als eerste deel van samenstellingen, min of meer aan het Engels ontleend: op verschillende deelgebieden betrekking hebbend, kruislings doorsnijdend
- balorig, boos, geërgerd, kregel, kwaad, nijdig, tegenwerkend, toornig, verstoord, vertoornd, slechtgehumeurd
- kruisen
- doorkruisen
- oversteken (straat, rivier)
- doortrekken|dóórtrekken
- kwaad maken, dwarsbomen
- kruis
- kruising
- kruisteken
Hoe spreek je cross uit?
/krɔs/
Cross bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| crossen | meervoud |
| crosses | meervoud |
| crossje | verkleinwoord, enkelvoud |
| crossjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
(verkorting) van crosscountry
Woordfamilie van cross
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| crosses | meervoud | cross |
| crossje | verkleinwoord | cross |
| crossjes | verkleinwoord meervoud | cross |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cross zijn vastgelegd.