bos
zelfstandig naamwoord, werkwoord bɔsBetekenis
- een groep bomen
- oerwoud, regenwoud (met name in Suriname)
- een bundel stelen of vezels
- rund, os
- koe
- donder
- baas, chef
- blootvoets
Hoe spreek je bos uit?
/bɔs/
Bos bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| s | sok |
Klinkt hetzelfde als bosch.
zelfstandig naamwoord — neuter
- groep bomen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| : bosch | |
| bosje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bosjes | verkleinwoord, meervoud |
| bossen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bossen
- gebiedende wijs van bossen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bossen
Vervoeging van bos
boshele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘woud’ voor het eerst aangetroffen in 1089
Woordfamilie van bos
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bosch | neuter | bos |
| bosje | verkleinwoord | bos |
| bosjes | verkleinwoord meervoud | bos |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bos zijn vastgelegd.