mobiel
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord moˈbilBetekenis
- zich met gemak verplaatsend
- kunstwerk dat door trillingen of luchtstromingen in beweging blijft, vaak doordat de samenstellende delen zo zijn verbonden dat ze telkens weer in een andere stand in evenwicht zijn
- een mobiele telefoon
Hoe spreek je mobiel uit?
/moˈbil/
Mobiel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| o | boot |
| b | bak |
| i | riet |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
bijvoeglijk naamwoord
- gemakkelijk verplaatsbaar of bewegend
- met betrekking tot mobiele telefonie
- voorbereid om meteen de strijd aan te kunnen gaan
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mobiele | verbogen, stellende trap |
| mobieler | onverbogen, vergrotende trap |
| mobielere | verbogen, vergrotende trap |
| mobielers | partitief, vergrotende trap |
| mobiels | partitief, stellende trap |
| mobielst | onverbogen, overtreffende trap |
| mobielste | verbogen, overtreffende trap |
zelfstandig naamwoord
- voertuig op wielen met eigen aandrijving
Herkomst
bn, zn: van Frans mobile bn , in de betekenis van ‘voorzien van eigen transportmiddelen’ aangetroffen vanaf 1830 **zn [2]: terugvorming uit mobieltje zn zonder het achtervoegsel -tje
Woordfamilie van mobiel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mobiele | verbogen vorm | mobiel |
| mobielen | meervoud | mobiel |
| mobieler | vergrotende trap | mobiel |
| mobielere | verbogen vergrotende trap | mobiel |
| mobielers | partitieve vergrotende trap | mobiel |
| mobiels | partitive, positive | mobiel |
| mobielst | uninflected, superlative | mobiel |
| mobielste | inflected, superlative | mobiel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mobiel zijn vastgelegd.