klos
zelfstandig naamwoord, werkwoord klɔsBetekenis
- spoel waaromheen een draad gewonden is
- het slachtoffer
- (biljart) mislukte stoot doordat de speelbal op weg naar de derde bal nog eens tegen de tweede bal botst
Hoe spreek je klos uit?
/klɔs/
Klos bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ɔ | bot |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- iemand die ergens flink nadeel van ondervindt, soort van slachtoffer person
- mislukte stoot doordat de speelbal op weg naar de derde bal nog eens tegen de tweede bal botst
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klosje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klosjes | verkleinwoord, meervoud |
| klossen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klossen
- gebiedende wijs van klossen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klossen
Vervoeging van klos
kloshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘spoel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1630
Woordfamilie van klos
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klosje | verkleinwoord | klos |
| klosjes | verkleinwoord meervoud | klos |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klos zijn vastgelegd.