Naar de inhoud

loskopen

door betaling van losgeld vrijmaken

loskopen

werkwoord

Betekenis

  1. door betaling van losgeld vrijmaken

Vervoeging van loskopen

loskopenhele werkwoord — kocht losverleden tijd enkelvoud — kochten losverleden tijd meervoud — losgekochtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik koop los kocht los
jij koopt los kocht los
hij, zij, het koopt los kocht los
wij kopen los kochten los
jullie kopen los kochten los
zij kopen los kochten los
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben losgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent losgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is losgekocht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was losgekocht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd losgekocht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt losgekocht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal losgekocht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal losgekocht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou losgekocht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou losgekocht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had losgekocht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had losgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had losgekocht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden losgekocht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden losgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden losgekocht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt losgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb losgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben losgekocht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben losgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben losgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben losgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt losgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft losgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft losgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is losgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is losgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kocht los verleden tijd
koop los gebiedende wijs
los te kopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
los te zullen kopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
los zal kopen bijzin, toekomende tijd
los zou kopen bijzin, voorwaardelijk
los zouden kopen bijzin, voorwaardelijk
los zoudt kopen bijzin, voorwaardelijk
los zullen kopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
los zullen kopen bijzin, toekomende tijd
los zult kopen bijzin, toekomende tijd
losgekocht verleden tijd, deelwoord
losgekocht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
losgekocht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
losgekocht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgekocht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgekocht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgekocht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
losgekocht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
losgekocht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
losgekocht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
losgekocht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
loskocht bijzin, verleden tijd
loskochten bijzin, verleden tijd
loskoop bijzin, tegenwoordige tijd
loskoopt bijzin, tegenwoordige tijd
loskopend onvoltooid, deelwoord
te hebben losgekocht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen loskopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart losgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgekocht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren losgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgekocht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was losgekocht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was losgekocht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was losgekocht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd losgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd losgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd losgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden losgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden losgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden losgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt losgekocht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word losgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden losgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden losgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden losgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt losgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt losgekocht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal losgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal losgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal losgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal losgekocht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgekocht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal loskopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal loskopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal loskopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal loskopen bijzin, toekomende tijd
zijn losgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn losgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn losgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt losgekocht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou losgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou losgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou losgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou loskopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou loskopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou loskopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou loskopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) loskopen los zou(dt) kopen bijzin, voorwaardelijk
zouden losgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden losgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden losgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden losgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden losgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden losgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden losgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden losgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden losgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden loskopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden loskopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden loskopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden loskopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt losgekocht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt losgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt losgekocht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt loskopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt loskopen bijzin, voorwaardelijk
zullen losgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen losgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen losgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen losgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen losgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen losgekocht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen losgekocht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen losgekocht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen losgekocht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen loskopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen loskopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen loskopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen loskopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen loskopen bijzin, toekomende tijd
zult losgekocht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van los en kopen

Woordfamilie van loskopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kocht los verleden tijd loskopen
kochten los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon loskopen
koop los gebiedende wijs loskopen
koopt los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon loskopen
kope los woordvorm loskopen
kopen los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon loskopen
losgekocht voltooid deelwoord loskopen
losgekochte woordvorm loskopen
loskocht subordinate-clause, verleden tijd loskopen
loskochten subordinate-clause, verleden tijd loskopen
loskoop subordinate-clause, tegenwoordige tijd loskopen
loskoopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd loskopen
loskope with-subordinate-clause loskopen
loskopend onvoltooid deelwoord loskopen
loskopende woordvorm loskopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van loskopen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over loskopen

Wat betekent loskopen?
Loskopen is een werkwoord. Het woord betekent: door betaling van losgeld vrijmaken.
Hoe vervoeg je loskopen?
Je vervoegt loskopen als volgt: het voltooid deelwoord is losgekocht. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord loskopen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. K 3
  5. O 1
  6. P 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

loskopen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. K 3
  5. O 1
  6. P 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

loskopen in het kort

loskopen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van loskopen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort loskopen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

loskopen: door betaling van losgeld vrijmaken
Deel loskopen — standaardnederlands.nl