gros
zelfstandig naamwoord /ɣrɔs/Betekenis
- een dozijn dozijnen = 144 stuks
- het merendeel
- (van omvang, gestalte)
- groot, fors
Hoe spreek je gros uit?
/xrɔs/
Gros bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een dozijn dozijnen, ofwel 144 stuks
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| grosje | verkleinwoord, eerste persoon |
| grosjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| grossen | enkelvoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘telwoord: twaalf dozijn’ voor het eerst aangetroffen in 1745
Woordfamilie van gros
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grosje | verkleinwoord, 1e persoon | gros |
| grosjes | verkleinwoord | gros |
| grossen | enkelvoud | gros |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gros zijn vastgelegd.