albatros
zelfstandig naamwoord ˈɑlbaˌtrɔsBetekenis
- een grote zeevogel met lange vleugels
albatros in een zin
- Achter het schip zweefde urenlang een albatros mee.
- Met een albatros op de vijfde hole nam hij de leiding.
- Boven de golven cirkelden twee albatrossen.
Let op: In het meervoud verdubbelt de s: albatrossen.
Hoe spreek je albatros uit?
/ˈɑlbaˌtrɔs/
Albatros bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| l | land |
| b | bak |
| a | maan |
| t | tak |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae, grote zeevogels met lange vleugels
- slagbeurt waarbij een speler een hole maakt in drie slagen minder dan een goede speler daar gemiddeld voor nodig heeft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| albatrosje | verkleinwoord, enkelvoud |
| albatrosjes | verkleinwoord, meervoud |
| albatrossen | meervoud |
Herkomst
van Engels albatross, in de betekenis van ‘stormvogel’ aangetroffen vanaf 1763
Woordfamilie van albatros
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| albatrosje | verkleinwoord | albatros |
| albatrosjes | verkleinwoord meervoud | albatros |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van albatros zijn vastgelegd.