Naar de inhoud

losgaan

loslaten

losgaan

werkwoord ˈlɔsxan

Betekenis

  1. loslaten

Hoe spreek je losgaan uit?

/ˈlɔsxan/

Losgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈlɔsxan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
l land
ɔ bot
s sok
x acht
a maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van losgaan

losgaanhele werkwoord — ging losverleden tijd enkelvoud — gingen losverleden tijd meervoud — losgegaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ga los ging los
jij gaat los ging los
hij, zij, het gaat los ging los
wij gaan los gingen los
jullie gaan los gingen los
zij gaan los gingen los
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben losgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent losgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
ga los gebiedende wijs
ging los verleden tijd
is losgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is losgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
los te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
los te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
los zal gaan bijzin, toekomende tijd
los zou gaan bijzin, voorwaardelijk
los zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
los zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
los zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
los zullen gaan bijzin, toekomende tijd
los zult gaan bijzin, toekomende tijd
losga bijzin, tegenwoordige tijd
losgaand onvoltooid, deelwoord
losgaat bijzin, tegenwoordige tijd
losgegaan verleden tijd, deelwoord
losgegaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgegaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
losging bijzin, verleden tijd
losgingen bijzin, verleden tijd
te zijn losgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen losgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart losgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren losgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was losgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was losgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was losgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal losgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal losgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal losgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal losgaan bijzin, toekomende tijd
zal losgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal losgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn losgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn losgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn losgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn losgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt losgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou losgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou losgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou losgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou losgaan bijzin, voorwaardelijk
zou losgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) losgaan los zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden losgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden losgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden losgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden losgaan bijzin, voorwaardelijk
zouden losgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden losgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden losgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt losgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt losgaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt losgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen losgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen losgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen losgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen losgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen losgaan bijzin, toekomende tijd
zullen losgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen losgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen losgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult losgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult losgaan bijzin, toekomende tijd
zult losgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal losgaan los zult/zal gaan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van los en gaan

Woordfamilie van losgaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ga los gebiedende wijs losgaan
gaan los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon losgaan
gaat los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon losgaan
ging los verleden tijd losgaan
gingen los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon losgaan
losga subordinate-clause, tegenwoordige tijd losgaan
losgaand onvoltooid deelwoord losgaan
losgaande woordvorm losgaan
losgaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd losgaan
losgegaan voltooid deelwoord losgaan
losging subordinate-clause, verleden tijd losgaan
losgingen subordinate-clause, verleden tijd losgaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van losgaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over losgaan

Hoe spreek ik losgaan uit?
Zo spreek je losgaan uit: /ˈlɔsxan/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van losgaan?
Losgaan is een werkwoord. De betekenis is: loslaten.
Hoe vervoeg ik losgaan?
Zo vervoeg je losgaan zo: het voltooid deelwoord is losgegaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord losgaan is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. G 3
  5. A 1
  6. A 1
  7. N 1
  8. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

losgaan levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 94 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. G 3
  5. A 1
  6. A 1
  7. N 1
  8. 12 zonder bonus
  9. 94 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

losgaan telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

losgaan in het kort

losgaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Van losgaan staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort losgaan bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

losgaan: loslaten
Deel losgaan — standaardnederlands.nl